Home Kom Langs Werk

Over Willem de Bruin

Een triptiek door Geertje Mak

Ruimte

aquarel

‘Als we op pad waren zag ik altijd mooie dingen’, vertelt Marieke Thomassen, ‘Willem zag altijd de ruimtelijkheid’. Een leven lang willen ontsnappen. Altijd weg. Even eruit, naar het park, naar Amelisweerd. Naar Noordwijk, Schier, Amerika. Eruit.

Wim de Bruin werd geboren in Oudwijk. Zijn moeder kwam nog uit een gezin met een heleboel kinderen in een arbeidershuisje waarin nu twee mensen zich krap behuisd voelen. Een familie als een clan. Als je je niet volgens de norm gedroeg, viel je erbuiten. Daaruit heeft Willem zich zijn hele leven proberen los te maken.

In zijn werk zoekt De Bruin vaak de ruimte in onderwerpen – een sloot, de zee, duinen, verten, satellietbeelden, voorbij de boomkruinen. De serie aquarellen uit Bretagne – tere details laten alle ruimte. En gaat het in het late werk om de boomkruinen, of om de ruimte die ze daarachter laten zien?

Met een vriend reist hij begin jaren tachtig weken door Amerika. Grootse landschappen. Ruimte alom. Maar hij komt thuis met stapels macrofoto’s van stenen. In zijn atelier hingen die naast satellietfoto’s. Wim kan ruimtelijkheid zien op elke schaal. Het werk dat daaruit voortkwam laat de beweging vanuit de materie zien. Die beweging wordt groter en groter. Groter dan hijzelf.

Dan laat hij de grote kunstenaarsambitie los. Zijn eigen band met de dingen en de mensen wordt veel belangrijker. Als huisschilder, onder de mensen, vindt hij zichzelf terug als mensenmens. Maakt portretten. Tekent bomen. Zo verbindt hij zich op het laatst opnieuw met de buurt waar hij werd geboren en waaruit hij los had proberen te breken. Verbonden in vrijheid: het hoeft niet meer.

De laatste tekeningen uit het hospice vliegen het kader niet uit. Het zijn objecten zwevend in ruimte. Opgesloten in zijn beperkte lichaam, beperkte hoofd, kleine ziekenkamer maakt hij tekenend opnieuw ruimte. Ruimte genoeg binnen het kader.

hospice tekening

Het maken

Getergd was hij: ‘Welopgevoede kunstwerken missen gekte’ – zo luidde het oordeel bij één van de exposities van Willem de Bruin bij het Utrechtse Genootschap Kunstliefde in 1983. Hij zou ze wel eens wat laten zien.

Bij het opruimen vond zijn partner Marieke Thomassen 20 spieramen van 2.60 bij 2.00 meter, die stonden te wachten op de grote doorbraak.

Wim de Bruin wou het maken. Hij kwam uit een arm arbeidersmilieu in Oudwijk waarin stoere mannelijkheid de norm was – anders was je een mietje. En als je het had gemaakt liet je dat zien ook: een gouden ketting, voorrijden in een Porsche.

Maar Wim de Bruin hield ook van het maken, het ambacht van iets echt goed maken. Hij wás een ambachtsman – iemand die net zo goed genoot van het echt goed schilderen van een huis, als van het ambachtelijke van tekenen, etsen, aquarel, gemengde techniek of acryl op doek.

Zijn broer zou timmerman worden, Wim huisschilder. Via reclame-werk kwam hij bijna per toeval op de academie terecht. Daar werd hij steeds meer uitgedaagd zijn eigen lijn te kiezen, de essentie te zoeken van wat hij wou zeggen. Van een Schiermonnikoog-reis van toen is er nog een ets van een sloot bij nacht. Het laatst zichtbare licht gevangen op papier.

Na de academie komen de jaren dat hij met Marieke al die grote mannen op de voet volgde Kiefer, Richter, Kline, De Kooning, Rainer, Armando, Tàpies. Kassel 1982. In Nederland en Duitsland ontstond de stroming De Nieuwe Wilden. Dáár wilde Wim de Bruin zich mee meten. Zijn werk wordt groter, de gebaren grootser, de beelden abstracter. Hij raakt gewild bij een aantal galerieën. Hij geniet van het succes, documenteert alles wat hij doet en wat er over hem verschijnt. Hij is bezig het te maken. Maar dan komt de recensie die hem zo raakt. Niet radicaal genoeg om bij de vrijgevochten jongens uit de kunstenaarswereld te horen. Nog teveel de arbeidersjongen die gewoon zijn vak verstaat. Getergd.

foto willem bij doek

Wim de Bruin bij een joekel van een doek – dynamisch werk dat de kaders uit spat. Hijzelf oogt er klein bij, snorretje, zelfverzekerde pose. De kleuren en vormen zijn organisch, vlezig bijna, zoals in Rembrandts geslachte stier, of in Bacons rauwe precieze beelden van lichamen. Maar het is aardser en abstracter, en de beweging breekt krachtig door de kaders heen. Het hoorde een beetje bij de jaren zeventig, een baanbrekend, groots, expressief, stoer soort mannelijkheid. Toch zit de kracht ook in de details, in de huid.

In 1987 toont De Zwolsche Algemene zijn werk en dat van andere kunstenaars in een immense, industrieel aandoende hal op een tentoonstelling getiteld ‘Tussen geometrie en lyriek’. Hier komt zijn grootse dynamische doek tot zijn recht: diagonale streken steken wit af tegen een donkerrode ondergrond, als een machtige vleugelslag tegen een het laatste licht van de avondhemel. Op de voorkant van de tentoonstellingsfolder prijkt werk van Wim de Bruin. Weer wit tegen donker, met veel helderder rood dit keer, en een beweging naar beneden, als van een val.

In een oplage van maar liefst 1500 stuks maakt De Bruin met galerie De Sluis in Leidschendam in 1988 een folder over zijn werk die in grootsheid niet onderdoet voor het werk zelf. Prachtige kleurenreproducties en een lyrische tekst van Leo Duppen in vier talen tonen zijn ambities. Maar de galeries verkopen zulk groot werk niet en de BKR komt tot een einde. De echte doorbraak blijft uit.

Nog één keer probeert De Bruin de galeries te overtuigen. Met de bomenserie zoekt hij een compromis tussen verkoopbaarheid, vakmanschap, en het grootse gebaar. Maar het klopt niet. De spanning tussen de ambachtsman en de kunstenaar, tussen eigen achtergrond en kunstenaarswereld, en tussen de beheersing van de verf en de vrijheid van expressie wordt nooit helemaal opgelost.

Willem – hij verandert zijn naam – keert halverwege de jaren negentig definitief terug naar het beroep waarmee het allemaal begon: huisschilder. Hij geniet van de ambachtelijkheid, van zijn plek in de buurt, van de relaxte relaties met de mensen met en voor wie hij werkt. Hij kende iedereen, en iedereen kende hem. Hij gaat portretten van ze schilderen. En van de bomen in de buurt, in het Wilhelminapark of Amelisweerd. In de expositie in het buurthuis van dit werk komt alles ineens als vanzelf samen: Willem, de mensen, de buurt, de natuur, zijn werk. Dat dit geen galerie van naam is, doet er niet toe. Het gaat om de verbondenheid. Maar Willem zou Willem niet zijn als hij niet toch ook nog een beetje met roem flirtte – met portretten van beroemdheden uit de buurt, zoals van Hans Hoes.

Lijnen

zelfportret

Tekenend. Vanaf het begin, door alles heen, tot aan het allerlaatste eind: lijnen. Zijn eerste werk was subtiel, evenwichtig, sober. Met een paar lijnen veel zeggen. Klein, voorzichtig werk. Precies. Netjes, haast braaf, en klassiek. Het werk wordt groter, expressiever, ruiger, baanbrekend – maar de lijnen blijven. Krassen in de vlakken, strepen door de rekening, lijnen die uit de verf zelf lijken voort te vloeien.

Organisch. Dingen uit de natuur: schedels, botten, boomwortels, boomkruinen. Landschappen in micro en macro: stenen, satellietbeelden. En gewoon de golvende zee, een sloot, striemende wind over het strand. Altijd doorbroken regelmaat, lijnen dwars door de vlakken, in hun eigen ongekende gang, altijd getekend.

Dezelfde hand die de lange lijn door al het werk voortzet. Het tekenen komt terug. In getekende gezichten, waarin lijnen hun eigen leven leiden. In bomen. Bomen die tegen het late licht in bijna alleen nog lijnen in een vlak lijken. Boomtekeningen. Kruinen. Hele grote boomtekeningen.

En dan op het laatst, in het hospice, bijna weer terug naar het begin. Niet het klassieke, precieze, maar het subtiele, evenwichtige. Fragiele, uit het tekenen zelf voortkomende organische staketsels van potloodstreepjes. Wonderbaarlijk evenwichtige, poëtische composities. Vel na vel, een muur vol.

Vrij van strijd, van poeha, van oordeel. Het maar gewoon laten groeien. De eigen hand volgen.

hospice tekening